Wat verstaat men onder dominantie theorie
De dominantie theorie is een sociologische en psychologische theorie die probeert te verklaren hoe machtsverhoudingen en hiërarchieën ontstaan en gehandhaafd worden in menselijke groepen en samenlevingen. De theorie stelt dat sociale groepen en individuen vaak streven naar dominantie over anderen, wat resulteert in ongelijke machtsverhoudingen. Deze dominantie kan zowel fysiek (bijvoorbeeld door middel van geweld) als symbolisch (bijvoorbeeld door status of prestige) zijn.
De dominantie theorie is gebaseerd op verschillende disciplines, waaronder psychologie, sociologie en biologie, en is vooral beïnvloed door sociaal-darwinistische ideeën. In de context van de biologie wordt vaak verwezen naar de evolutie en het gedrag van dieren, waarbij dominantie binnen groepen cruciaal is voor overleving en voortplanting. Bij mensen wordt de theorie vaak toegepast op intergroepsrelaties, zoals ras, klasse, geslacht en andere sociale categorieën.
In de psychologie heeft de theorie bijvoorbeeld invloed gehad op het onderzoek naar groepsdynamieken, zoals de “Social Dominance Theory” (SDT) van Jim Sidanius en Felicia Pratto. SDT legt uit hoe mensen de neiging hebben om sociale dominantie te zoeken door bepaalde groepen te onderdrukken of te bevoordelen, wat kan leiden tot sociale ongelijkheid.
Kortom, de dominantie theorie legt de nadruk op hoe macht en hiërarchie functioneren in groepen en samenlevingen, en hoe dit vaak ten koste gaat van sociale rechtvaardigheid.
De dominantie theorie bij honden werd lange tijd sterk beïnvloed door de ideeën over dominantie in sociale groepen van dieren, vooral bij wolven. Dit idee werd vaak toegepast om te verklaren hoe honden zich in een roedel zouden gedragen, waarbij de zogenaamde “alpha” hond de leider was die de andere honden onder controle hield door dominantie en macht.
De dominantietheorie van honden was oorspronkelijk sterk gebaseerd op het werk van de Amerikaanse bioloog David Mech, maar zijn bevindingen werden later herzien en aangepast.
Mech, die in de jaren ’70 de sociale structuur van wolven bestudeerde, concludeerde oorspronkelijk dat wolven in het wild een strikte hiërarchie hadden, met een dominante alfa-wolf aan de top van de roedel. Deze opvatting werd later overgenomen door sommige hondentrainers, die de hiërarchie in wolven als model gebruikten voor het begrijpen van gedrag en sociale structuren bij honden, waarbij ze de eigenaar als de “roedelleider” (of alfa) zagen die de rol van dominantie moest vervullen.
De herziening van Mech’s standpunt
In latere jaren herzag Mech zijn oorspronkelijke theorie over wolven. In onderzoek dat hij in de jaren ’90 uitvoerde, ontdekte hij dat wolven in het wild meer flexibele, familiale structuren hebben, waarin de zogenaamde alfa-rol minder duidelijk en minder rigide is dan aanvankelijk werd gedacht. In plaats van dat de dominante wolf fysiek en agressief bovenaan de roedel stond, bleek het in werkelijkheid meer te draaien om de samenwerking tussen familieleden, waarbij de “alfa” vaak simpelweg de oudere ouderlijke wolf was die het leiderschap op een subtiele manier uitoefende
Toepassing van de dominantietheorie in hondentraining:
Trainers die de dominantietheorie toepasten, gebruikten verschillende methoden die erop gericht waren om de hiërarchische positie van de eigenaar ten opzichte van de hond te versterken, met de bedoeling de hond zijn plaats in de roedel te laten begrijpen en ongewenst gedrag (zoals trekken aan de lijn, agressie, of niet reageren op commando’s) te corrigeren
1. Fysieke correcties en kracht:Lichamelijke dominantie: Trainers maakten gebruik van fysieke handelingen, zoals het vastpakken van de hond, in sommige gevallen door de hond op de grond te leggen of door hem op zijn rug te draaien (de zogenaamde “alpha roll”). Het idee was dat door de hond op deze manier te corrigeren, de eigenaar zijn “dominantie” zou kunnen afdwingen en de hond zou leren dat de eigenaar het “roedelleiderschap” had.
Trekken aan de lijn: Wanneer een hond aan de lijn trok, werd de eigenaar vaak geadviseerd om hard aan de lijn te trekken om de hond te corrigeren. Dit zou de hond volgens de theorie doen inzien dat de eigenaar de controle had over de situatie.
2. Strenge gedragscorrecties:Schrik of straf: Sommige trainers gebruikten schokcollars of andere aversieve technieken (zoals de eerder genoemde e-collar) om onwenselijk gedrag te corrigeren. Het idee was dat de hond het onaangename gevoel zou associëren met zijn ongewenste gedrag (bijvoorbeeld trekken aan de lijn of agressie), waardoor het gedrag zou verdwijnen.
Negeer ongewenst gedrag: Er werd ook vaak geadviseerd om ongewenst gedrag simpelweg te negeren en alleen positieve aandacht of beloningen te geven voor gewenst gedrag. Dit zou volgens de theorie de hond leren dat hij niet de leiding had over wanneer hij aandacht kreeg.
3. Gebruik van roedelgedrag:
Leiderschap afdwingen: In de dominantietheorie werd vaak het idee gepromoot dat de eigenaar zichzelf moest presenteren als de roedelleider, die beslissingen neemt voor de hond. Dit werd bijvoorbeeld gedaan door de hond niet op de bank of in bed te laten liggen, niet zijn eten direct aan hem te geven, en de hond te laten wachten voor toegang tot bepaalde ruimtes. Het idee was dat door deze gedragingen af te dwingen, de hond zou begrijpen dat hij de leider moest volgen en geen “dominant” gedrag mocht vertonen.
Voedselcontrole: Honden zouden vaak niet mogen eten totdat de eigenaar dat toestond. Dit werd gezien als een manier om de hond te laten begrijpen dat de eigenaar de baas was over toegang tot basisbehoeften (zoals voedsel).
Volg de “roedelregels”:
In de dominantietheorie werd ook benadrukt dat de hond de sociale regels van het roedel moest volgen. Dit zou door de eigenaar geïmplementeerd moeten worden door duidelijke regels te stellen, zoals niet toestaan dat de hond de eigenaar in een deur voorbij gaat, of dat de hond niet mag springen of bijten.
De invloed van de dominantie theorie op hondentraining
Deze theorie heeft invloed gehad op de manier waarop honden werden getraind, vooral in de jaren ’80 en ’90, toen veel trainers geloofden dat honden een strikte hiërarchie moesten leren begrijpen, en dat de eigenaar als de “alpha” of “leidersfiguur” moest optreden. Het idee was dat als de eigenaar niet de dominante positie innam, de hond zou proberen de baas te worden, wat zou leiden tot ongewenst gedrag.
Kritiek op de dominantie theorie bij honden
In de laatste decennia is de dominantie theorie echter in de wetenschappelijke gemeenschap sterk bekritiseerd, vooral op basis van nieuwere inzichten in het sociale gedrag van honden. Onderzoek heeft aangetoond dat honden in gezinsverbanden niet noodzakelijkerwijs hiërarchisch gedrag vertonen zoals het vaak werd beschreven in roedels van wolven. In plaats daarvan blijken honden vaak meer afhankelijk van hun menselijke metgezellen voor veiligheid, voedsel en sociaal contact, wat duidt op een meer coöperatieve en minder strijdvaardige dynamiek dan eerder werd aangenomen.
Heden
Tegenwoordig wordt de dominantie theorie in de hondentraining minder benadrukt. In plaats daarvan ligt de focus meer op positieve versterking, wederzijds respect en het begrijpen van het communicatiegedrag van honden. Dit betekent dat gedrag dat als “dominant” werd gezien, nu vaak wordt geïnterpreteerd als een manier van communiceren of als reactie op stress, angst of onzekerheid, in plaats van een bewuste poging om de baas te worden. Moderne hondenprofessionals, zoals gedragstherapeuten en trainers, adviseren nu vaak een meer empathische benadering waarbij het gedrag van de hond wordt begrepen en gecorrigeerd door middel van beloningen, zonder gebruik van straf of fysieke dominantie.
De dominantie theorie heeft zeker invloed gehad op de manier waarop honden in het verleden werden gecorrigeerd, maar het effect op beloningen was beperkter. De dominantie theorie benadrukte de noodzaak voor de eigenaar om de “alpha” te zijn en de hond in een onderdanige positie te houden, wat leidde tot de populariteit van correctiemethoden die gericht waren op het afdwingen van gehoorzaamheid. Deze theorie heeft dus vooral invloed gehad op correctie en minder op positieve beloningen.
Invloed van de dominantie theorie op correctie
In de context van de dominantie theorie werd aangenomen dat honden als roedeldieren een duidelijke hiërarchie nodig hadden, waarbij de eigenaar de dominante positie moest innemen. Dit leidde tot de toepassing van correctiemethoden die bedoeld waren om de hond te laten begrijpen dat hij de “onderdanige” moest zijn en zich ondergeschikt moest opstellen. Enkele veelgebruikte methoden uit die tijd waren
1. Fysieke straf: Correctie bestond vaak uit het gebruik van fysieke straffen, zoals het hard trekken aan de lijn, het toepassen van een halsband met pinnen of zelfs het gebruik van schokbanden. Het idee was dat de hond geleerd moest worden dat ongewenst gedrag onmiddellijk negatieve gevolgen had.
2. Dominante posities innemen: Eigenaren werden aangemoedigd om dominant gedrag te vertonen, zoals het “controleren” van de hond door hem op de rug te duwen (de zogenaamde “alpha roll”) of door met de hond te spelen op manieren die zijn “dominantie” moesten ondermijnen. Deze fysieke corrigerende methoden waren bedoeld om te laten zien wie de baas was.
3. Negeer ongewenst gedrag: In sommige gevallen werd ook het negeren van ongewenst gedrag als een manier van “correctie” gebruikt, gebaseerd op het idee dat de hond aandacht als een soort beloning zocht. Door deze aandacht in te trekken, zou de hond zich weer onderdanig gaan gedragen.
Beloningen onder de dominantie theorie
Hoewel de dominantie theorie vooral de nadruk legde op correctie en machtsverhoudingen, werden beloningen zeker ook gebruikt, maar meestal op een beperkter en minder gestructureerd manier dan nu het geval is. De focus lag eerder op het verkrijgen van gehoorzaamheid dan op het versterken van gewenst gedrag door middel van beloningen.
1. Beperkt gebruik van beloningen: In veel gevallen werden beloningen gegeven, maar niet altijd op een systematische of positieve manier zoals we dat nu kennen. Honden werden vaak beloond voor gehoorzaamheid, maar de beloning had vaak meer te maken met de bevestiging van het gezag van de eigenaar dan met het versterken van een positief gedragspatroon. Bijv. de hond kreeg een traktatie wanneer hij een commando uitvoerde, maar de motivatie voor de hond was meer om te voldoen aan de gezagsstructuur dan de uitvoering van een gewenst gedrag.
2. Lof als beloning: Soms werd ook lof gebruikt als beloning, maar het werd vaak gegeven als onderdeel van het bevestigen van de “dominantie” van de eigenaar, in plaats van het aanmoedigen van de hond om op een positieve manier te leren.
3. Beperkte focus op het versterken van motivatie: Er werd vaak niet veel nadruk gelegd op het ontwikkelen van intrinsieke motivatie bij de hond of op het versterken van gewenst gedrag door middel van positieve versterking. Dit was een belangrijke verschuiving die pas later in de jaren 80 en 90 zou komen.
Verschil tussen correctie en beloning in de dominantie theorie
In de dominantie theorie lag de nadruk vooral op correctie en minder op beloning. Correctie werd gezien als noodzakelijk om de hiërarchie in stand te houden, terwijl beloning vaak een secundaire rol speelde en niet altijd op de meest positieve of gestructureerde manier werd toegepast. Honden werden gecorrigeerd voor ongewenst gedrag en kregen soms een beloning, maar de nadruk lag niet op het versterken van het positieve gedrag of het opbouwen van een vertrouwensrelatie tussen hond en eigenaar.
Evolutie van hondentraining
Zoals eerder beschreven, veranderde deze benadering door de jaren heen. In de jaren 80 en 90, met de opkomst van wetenschappelijke inzichten over gedragspsychologie, werd duidelijker dat positieve versterking effectiever was dan straf en dat beloningen veel belangrijker konden zijn in het leerproces van honden. De dominantie theorie werd steeds meer verworpen en vervangen door methoden die gericht waren op het versterken van gewenst gedrag, het opbouwen van een positieve relatie met de hond, en het gebruik van beloningen (zoals lekkers, speeltijd, en lof) in plaats van fysieke correcties.
De dominantie theorie en het ontkennen van emoties staan niet noodzakelijk gelijk aan elkaar, maar er is wel een verband tussen de manier waarop emoties in het verleden werden begrepen binnen de context van de dominantie theorie, en hoe we nu kijken naar de emotionele beleving van dieren zoals honden.
De Dominantie Theorie en Emoties
De dominantie theorie in de context van hondentraining is gebaseerd op het idee dat honden, net als hun wilde voorouders (wolven), een hiërarchie volgen waarin de eigenaar de “alpha” is, en dat gedrag gestuurd wordt door machtsverhoudingen. In deze theorie ligt de nadruk op het idee van gehoorzaamheid en hiërarchie, waarbij honden vooral gezien worden als wezens die gedisciplineerd en gecorrigeerd moeten worden, om een juiste rol in die hiërarchie in te nemen.
In de vroege toepassingen van de dominantie theorie was er vaak weinig aandacht voor de emotionele ervaringen van de hond. Het idee was vaak dat honden vooral gedreven werden door instinct en dat hun gedrag gecorrigeerd moest worden door fysieke straf of dominant gedrag van de eigenaar. Emoties zoals angst, vreugde of frustratie werden vaak niet als belangrijke factoren beschouwd bij het trainen van honden. Dit had te maken met het idee dat gedrag moest worden gekanaliseerd door macht en autoriteit, en dat de nadruk lag op gehoorzaamheid in plaats van het begrijpen van de hond als een emotioneel wezen.
Het Ontkennen van Emoties in de Dominantie Theorie?
Hoewel de dominantie theorie zelf niet expliciet emoties ontkent, hield het idee van de “alpha” en de hiërarchieën vaak geen rekening met de complexiteit van de emoties van honden. In plaats van te kijken naar de motivaties van de hond (zoals angst, onzekerheid, of plezier), werd vaak aangenomen dat honden gedrag vertoonden als een manier om “de baas” te worden of om hun positie in een hiërarchie te versterken. Dit leidde tot de veronderstelling dat honden zich uitsluitend gedroegen vanuit een machts- of onderdanigheidscontext, wat een enigszins reductieve kijk op hun gedragingen en emoties was.
In de praktijk betekende dit dat trainers en eigenaren vaak geen rekening hielden met de emoties van de hond bij hun gedrag. Een hond die bijvoorbeeld agressief gedrag vertoonde, werd mogelijk gestraft voor dominantie zonder dat er naar de onderliggende emotionele oorzaken (zoals angst of stress) werd gekeken.
Hoe is dit veranderd?
Met de opkomst van meer wetenschappelijke en gedragspsychologische inzichten (zoals de theorieën van B.F. Skinner, ethologie en de erkenning van positieve versterking), begon de hondentraining zich te verschuiven van een rigide hiërarchische benadering naar een benadering die emoties en motivatie serieus neemt.
Moderne hondentrainers erkennen nu dat honden complexe emotionele wezens zijn, die niet alleen gedreven worden door machtsverhoudingen, maar ook door gevoelens van angst, vreugde, vertrouwen, stress en onzekerheid. Dit heeft geleid tot meer empathische trainingsmethoden die rekening houden met de emotionele toestand van de hond, in plaats van deze te negeren of te simplificeren.
De dominantie-theorie over honden werd niet alleen beïnvloed door het werk van David Mech, maar ook door andere onderzoekers en wetenschappers, en werd later een dominante theorie binnen de hondentraining. Er zijn verschillende factoren en bijdragen van andere wetenschappers die de ontwikkeling en popularisatie van de dominantie-theorie hebben ondersteund. Hier zijn enkele belangrijke figuren en invloeden naast Mech:
1. Konrad Lorenz
Konrad Lorenz, een Oostenrijkse etholoog, was een van de pioniers op het gebied van dierenpsychologie en heeft belangrijke bijdragen geleverd aan de studie van sociale gedragingen van dieren, waaronder honden. Lorenz bestudeerde onder andere de sociale structuren van dieren en de interacties binnen groepen. Hoewel hij niet direct de dominantie-theorie voor honden introduceerde, beïnvloedde zijn werk over sociale hiërarchieën en roedels, evenals zijn ideeën over agressie en territoriumgedrag, de ontwikkeling van het idee van dominantie in de menselijke-hond relatie.
2. John Paul Scott en John L. Fuller
John Paul Scott en John L. Fuller, twee belangrijke onderzoekers op het gebied van de genetica en gedragswetenschappen, hebben invloed gehad op het vroege begrip van honden en hun gedragingen. In de jaren 50 bestudeerden ze de rol van genetica in hondengedrag en suggereerden ze dat honden sociale wezens zijn die zich kunnen aanpassen aan verschillende sociale rollen binnen een groep. Hoewel ze niet direct de dominantie-theorie ontwikkelden, werd hun werk later vaak gebruikt om aan te tonen dat honden in een soortgelijke sociale hiërarchie als wolven functioneren.
3. Rudolf Schenkel
Rudolf Schenkel, een Zwitserse etoloog, speelde een sleutelrol in het ontwikkelen van de vroege ideeën over dominantie in wolven. In de jaren ’40 en ‘50 voerde hij onderzoek uit naar de sociale structuur van wolven in gevangenschap en stelde hij vast dat wolven een hiërarchische structuur vertoonden met duidelijke dominante en submisieve rollen. Dit werd later veralgemeend naar honden. Schenkel’s werk gaf aanleiding tot het idee dat honden, net als wolven, binnen een roedel structuur met dominantie en onderwerping functioneren, wat sterk bijdroeg aan de latere dominantie-theorie bij honden.
4. B.F. Skinner en operante conditionering
Hoewel B.F. Skinner geen directe invloed had op de dominantie-theorie, zijn ideeën over operante conditionering hadden wel invloed op hoe honden getraind werden binnen het kader van dominantie. Skinner toonde aan dat gedrag kan worden beïnvloed door beloningen en straffen, en dit werd toegepast op de hondentraining. Het idee dat honden gedragsmatig konden worden gecontroleerd door middel van straf, vooral als het ging om dominantiegedrag, werd een gangbare benadering in de training.
5. Cesar Millan
Hoewel zijn werk veel later plaatsvond (begin 21ste eeuw), heeft Cesar Millan, ook wel bekend als de “Dog Whisperer”, de dominantie-theorie opnieuw gepromoot in de populaire cultuur. Millan geloofde sterk in het idee dat honden, net als wolven, een duidelijke “roedelleider” nodig hebben en dat menselijke eigenaren de “alpha” moesten zijn om een hond goed te kunnen opvoeden. Zijn benadering was gebaseerd op het idee van dominantie en controle, waarbij fysiek en verbaal leiderschap werd gepromoot om ongewenst gedrag van honden te corrigeren. Dit zorgde voor veel discussie, waarbij zijn ideeën vaak bekritiseerd werden door moderne trainers die voorstander zijn van positieve versterking.
6. De invloed van wolvenonderzoek op de hondentraining
Het idee van dominantie werd verder versterkt door het idee dat honden, als gedomesticeerde afstammelingen van wolven, ook volgens een soortgelijke hiërarchie in groepen zouden moeten functioneren. Dit idee werd erg populair in de tweede helft van de 20ste eeuw, vooral onder trainers die beïnvloed werden door de vroege wolvenstudies. Dit leidde tot de veronderstelling dat honden op dezelfde manier als wolven sociaal functioneerden, en dus een menselijke “roedelleider” nodig hadden die de dominante rol zou vervullen.